minachting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·ach·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord minachting
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

minachting v

  1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
    • Hij liet zijn minachting maar al te duidelijk blijken. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.