Naar inhoud springen

minachting

Uit WikiWoordenboek
  • min·ach·ting
enkelvoud meervoud
naamwoord minachting
verkleinwoord

deminachtingv

  1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
     Hun gesprek in zijn ontvangkamer was een afgezwakt voorproefje van wat hen te wachten stond, een blijk van zijn minachting voor vrouwen.[1]
     Het kwam erop neer dat hij op zijn klasgenoten neerkeek - omdat ze zichzelf geen slagers maar middenstanders noemden, omdat ze hun dieren niet op kwaliteit maar op winstgevendheid selecteerden - en ze die minachting aanvoelden.[2]
    • Hij liet zijn minachting maar al te duidelijk blijken. 
     'Mevrouw, prinses Elfilda is een schitterende ster die aan het koninklijk firmament straalt, waar ze ook thuishoort. Hij deed geen poging zijn minachting te verbergen. 'Dat ze u en uw dochters hier uitnodigt voor het souper is een teken van haar medeleven, vergevingsgezindheid en gulheid.'Inderdaad, meneer,'mompelde ik. 'Dat is inderdaad zo.'[3]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  2. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  3. Danielle Teller (vert. Marja Borg)
    “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026346477
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be