minachting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·ach·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord minachting
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

minachting v

  1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
    • Hij liet zijn minachting maar al te duidelijk blijken. 
     'Mevrouw, prinses Elfilda is een schitterende ster die aan het koninklijk firmament straalt, waar ze ook thuishoort. IHij deed geen poging zijn minachting te verbergen. 'Dat ze u en uw dochters hier uitnodigt voor het souper is een teken van haar medeleven, vergevingsgezindheid en gulheid.'Inderdaad, meneer,'mompelde ik. 'Dat is inderdaad zo.'[1]
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Danielle Teller (vert. Marja Borg) “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026346477
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be