mijt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mijt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zorgvuldig opgestapelde hoop hooi of stro’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1428 [1]
  • In de betekenis van ‘muntje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1300 [1]
  • In de betekenis van ‘spinachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord mijt mijten
verkleinwoord mijtje mijtjes

Zelfstandig naamwoord

mijt v/m

  1. (dierkunde) Acariformes op Wikispecies een spinachtig, klein geleedpotig, overwegend parasitisch levend diertje [2] [3]
  2. opgestapelde hoop hooi, stro, takkenbossen enz [4] [5]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
mijten

mijt

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van mijten
  2. gebiedende wijs van mijten