makreel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·kreel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1270 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord makreel makrelen
verkleinwoord makreeltje makreeltjes

Zelfstandig naamwoord

makreel m

  1. (vissen) Scomber scomber, een vis, familie van de makreelachtigen zoals tonijn en boniet
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen