tonijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tonijn

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·nijn
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tonijn tonijnen
verkleinwoord tonijntje tonijntjes

Zelfstandig naamwoord

tonijn m

  1. (vissen) Thunnus sp. op Wikispecies een geslacht van snelle oceaanvissen, gewild als consumptievis
    • Van de tonijnen is vooral de blauwvintonijn bedreigd in zijn voortbestaan door overbevissing. 
  2. (voeding) vlees van (1)
    • Uit de Japanse keuken is tonijn is niet weg te denken. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen