aflossen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·los·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aflossen
loste af
afgelost
zwak -t volledig

Werkwoord

aflossen

  1. overgankelijk de plaats innemen van, in zijn taak vervangen
    • Hij loste de bewaker af. 
  2. overgankelijk geheel of gedeeltelijk voldoen, terugbetalen
    • Zij moest haar schuld nog aflossen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie