aflossen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·los·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van lossen met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aflossen
loste af
afgelost
zwak -t volledig

Werkwoord

aflossen

  1. (overgankelijk) de plaats innemen van, in zijn taak vervangen
    Hij loste de bewaker af.
  2. (overgankelijk) geheel of gedeeltelijk voldoen, terugbetalen
    Zij moest haar schuld nog aflossen.
Vertalingen