buit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Romulus draagt de buit naar de tempel van Jupiter
Uitspraak
Woordafbreking
  • buit
enkelvoud meervoud
naamwoord buit -
verkleinwoord buitje buitjes

Zelfstandig naamwoord

buit m

  1. goederen gewonnen door diefstaf of verovering
    • Toen zij de buit wilden verdelen ontstond er al snel een handgemeen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Werkwoord

vervoeging van
buien

buit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buien
    • Jij buit. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buien
    • Hij buit. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van buien
    • Buit!