buit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buit
enkelvoud meervoud
naamwoord buit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

buit m

  1. goederen gewonnen door diefstaf of verovering
    Toen zij de buit wilden verdelen ontstond er al snel een handgemeen.
Vertalingen