lock

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen



Nederlands

Woordafbreking
  • lock
enkelvoud meervoud
naamwoord lock locks
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lock m

  1. mechanisme waarmee in combinatie met een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten.
  2. (figuurlijk) situatie waarin men geen keuze vrijheid meer heeft
Synoniemen

Gangbaarheid

Engels

Zelfstandig naamwoord

  1. lock - slot o ; mechanisme waarmee in combinatie met een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten.

Werkwoord

vervoeging
onbepaalde wijs to  lock 
he/she/it  locks 
verleden tijd  locked 
voltooid
deelwoord
 locked 
onvoltooid
deelwoord
 locking 
gebiedende wijs  lock 
to lock
  1. sluiten, op slot doen, afsluiten