leemaarde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leem·aar·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leemaarde
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leemaarde v/m [1]

  1. (aardrijkskunde) grondsoort die lijkt op leem en die men in Zuid-Limburg vindt
    • Dit soort dingen gaat je aan het hart. Hij schraapt behoedzaam met de rand van de schep. De kleiachtige grond zelf kan niet rotten en het lichaam is heel goed in de jas gerold, zodat de ontbinding is vertraagd. De stof blijft aan de kluiten leemaarde vastzitten en de zij van het lijk komt bloot te liggen, ribben, geelachtig met stukken zwart rottend vlees eraan, waar het krioelt van de wormen, want er is nog heel wat te eten. [2] 
    • Later ontstonden uit de kleinschalige suikerbakkerijen grootschaliger industrieën, zoals de Amsterdamsche Stoom-Suikerraffinaderij (1833-1875). Bij het zuiveren werd hier gebruikgemaakt van eieren en het (goedkopere) ossenbloed, dat echter in 1704 werd verboden, en kalkwater. Bij het uitlekken werden de gesmolten boden bedekt met leemaarde dat door het suikerbrood heen zakte en de laatste verontreinigingen meevoerde. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 123
  3. Wikipedia Suikerraffinaderij Suikerraffinaderij