keuvelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • keu·ve·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord keuvelaar keuvelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

keuvelaar m [1]

  1. een gezellige prater
    • Het oude mannetje was een echte keuvelaar, hij babbelde de hele dag. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen