babbelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bab·be·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord babbelaar babbelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

babbelaar m

  1. iemand die veel kletst
    • De oude vrouwen waren echte babbelaars.  
  2. geel kleurig snoepje uit Zeeland gemaakt van boter, suiker, water, azijn en wat zout

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen