opkammen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·kam·men
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

opkammen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opkammen
kamde op
opgekamd
zwak -d volledig
  1. door te kammen een haartooi mooier maken
    • Om vier uur morgenochtend gaat Flora op transport naar de Veemarkthallen In Utrecht. Na een laatste wasbeurt begint daar „de poppenkast”: het scheren en opkammen, het in de lak zetten van onwillige haren en het uitpluizen van de staart. Met kapperstechniek kunnen kleine imperfecties worden gecamoufleerd, legt Van Houselt uit. [2] 
    • ,,Omdat een gewone pruik te veel glanst op het scherm, maak ik speciale filmpruiken die haartje per haartje worden ingeplant", vertelt Ronny. Voor De Kotmadam is hij al aan de vijfde pruik toe, telkens een grapje van 1.250 à 2.500 euro. ,,Het dagelijks opkammen werkt immers slijtage in de hand", stelt hij. [3] 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen