implementeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·ple·men·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘verwezenlijken’ voor het eerst aangetroffen in 1983 [1]
  • afgeleid van het Franse implémenter (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
implementeren
implementeerde
geïmplementeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

implementeren overgankelijk

  1. tot uitvoering brengen
  2. (informatica) installeren, testen en in gebruik nemen van apparatuur, informatiesysteem, programmatuur en/of procedures, plannen, ideeën, standaards of beleid in een organisatie
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen