host

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • host
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord host hosts
verkleinwoord hostje hostjes

Zelfstandig naamwoord

host m

  1. (informatica) hostcomputer
  2. gastheer, gastvrouw of presentator van een evenement
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
hossen

host

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hossen
    • Jij host. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hossen
    • Hij host. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van hossen
    • Host! 
vervoeging van
hosten

host

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van hosten
  2. gebiedende wijs van hosten

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
host hosts

Zelfstandig naamwoord

host

  1. gastheer, gastvrouw
  2. heerschaar
  3. groot aantal van iets
    «There is a host of problems with that approach.»
    Er kleven velerlei problemen aan die benadering.