hik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hik
enkelvoud meervoud
naamwoord hik hikken
verkleinwoord hikje hikjes

Zelfstandig naamwoord

hik m

  1. (medisch) een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing, gevolgd door het plots sluiten van het strotklepje, wat een kenmerkend geluid veroorzaakt
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hikken

hik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
    • Ik hik. 
  2. gebiedende wijs van hikken
    • Hik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
    • Hik je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Papiamento

Zelfstandig naamwoord

hik

  1. (medisch) hik.