hikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hik·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘de hik hebben’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • Klanknabootsing
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hikken
hikte
gehikt
zwak -t volledig

Werkwoord

hikken

  1. inergatief een kort geluid voortbrengen door een onwillekeurige samentrekking van het middenrif
    • Hij hikte nog een paar keer, maar gelukkig ging het over. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

hikken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hik

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen