niet-gelovige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • niet-ge·lo·vi·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord niet-gelovige niet-gelovigen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

niet-gelovige v/m

  1. iemand die niet gelooft (in welke god dan ook)
    • Ook niet-gelovigen kunnen er zich op betrappen dat zij voedseltaboes hebben. [1]
Antoniemen
Verwante begrippen

Bijvoeglijk naamwoord

niet-gelovige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van niet-gelovig

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. De ondeelbare mens, Koen Stroeken