graad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • graad
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘eenheid van schaalverdeling, rang’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord graad graden
verkleinwoord graadje graadjes

Zelfstandig naamwoord

graad m

  1. (wiskunde) eenheid om hoeken te meten (1/360 deel van de cirkelomtrek), onderverdeeld in minuten en seconden, booggraad
  2. elk van de gelijke delen waarin sommige schaalverdelingen verdeeld zijn, vooral die van thermometers
  3. (onderwijs) groepering van 2 opeenvolgende jaren in het lager en secundair onderwijs in België
  4. titel die na afgelegd examen, verdedigde stellingen enz. aan een studerende wordt toegekend b.v. meestergraad
  5. (wiskunde) macht
    • deze vergelijking is van de tweede graad 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen