gelovige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lo·vi·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van gelovig met het achtervoegsel -e.
enkelvoud meervoud
naamwoord gelovige gelovigen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelovige v/m

  1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
    • De gelovigen stonden voor de kerk te wachten op de dienst. 
    • De gelovigen stonden te wachten op de handlezer. 
     Duizenden gelovigen staan in de Italiaanse stad Padua in de rij om een glimp op te vangen van de relikwieën van de heilige Antonius. Het skelet is voor het eerst sinds 1981 weer van dichtbij te zien voor het publiek.[1]
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

gelovige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van gelovig

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 17 november 2022 Weblink bron “Italianen in de rij voor St. Antonius” (Maandag 15 februari 2010, 15:51), NOS
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be