gelovige

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lo·vi·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van gelovig met het achtervoegsel -e.
enkelvoud meervoud
naamwoord gelovige gelovigen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelovige v/m

  1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
    • De gelovigen stonden voor de kerk te wachten op de dienst. 
    • De gelovigen stonden te wachten op de handlezer. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

gelovige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van gelovig

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie