fixeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fixe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vastmaken, vastleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1485 [1]
  • afgeleid van het Franse fixer (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fixeren
fixeerde
gefixeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

fixeren

  1. overgankelijk de blik onafwendbaar op iets richten
    • Hij fixeerde zijn blik op de secondewijzer van de klok. 
  2. (fotografie) overgankelijk een ontwikkeld fotografisch beeld vastleggen door een behandeling met bijvoorbeeld een thiosulfaatoplossing
    • Deze foto is niet goed gefixeerd en verkleurt daarom. 
  3. inergatief de gedachten alsmaar om een bepaalde zaak laten draaien
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Zelfstandig naamwoord

fixeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fixeer

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen