fixeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fixeer
enkelvoud meervoud
naamwoord fixeer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fixeer o

  1. (fotografie) zout (natriumthiosulfaat of ammoniumthiosulfaat) voor het fixeren van foto's, een fixeerzout
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
fixeren

fixeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fixeren
    • Ik fixeer. 
  2. gebiedende wijs van fixeren
    • Fixeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fixeren
    • Fixeer je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie