degelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘deugdelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1327 [1]
  • Afgeleid van het verouderde deeg (voorspoed, voordeel) met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen degelijk degelijker degelijkst
verbogen degelijke degelijkere degelijkste
partitief degelijks degelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

degelijk [3]

  1. goed tegen een stootje kunnend, niet snel kapot gaand
    • Die degelijke tent is bestand tegen de storm. 
  2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren, saai
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • wel degelijk
goed hoewel je misschien eerst dacht dat het niet goed was
Deze onverzorgde man had wel degelijk een hart van goud.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen