degelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen degelijk degelijker degelijkst
verbogen degelijke degelijkere degelijkste
partitief degelijks degelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

degelijk [2]

  1. goed tegen een stootje kunnend, niet snel kapot gaand
    • Die degelijke tent is bestand tegen de storm. 
  2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren, saai
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • wel degelijk
goed hoewel je misschien eerst dacht dat het niet goed was
Deze onverzorgde man had wel degelijk een hart van goud.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen