dors

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dors
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘jonge kabeljauw’ voor het eerst aangetroffen in 1351-1400 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dors dorsen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dors m [3] [4]

  1. (vissen) jonge kabeljauw

Werkwoord

vervoeging van
dorsen

dors

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dorsen
    • Ik dors. 
  2. gebiedende wijs van dorsen
    • Dors! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dorsen
    • Dors je? 

Bijvoeglijk naamwoord

dors

  1. partitief van de stellende trap van dor

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie