debiteren
Uiterlijk
- de·bi·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| debiteren |
debiteerde |
gedebiteerd |
| zwak -d | volledig | |
debiteren
- overgankelijk (boekhouding) een bedrag als vordering (debet) boeken op een rekening; een rekening debiteren met een vordering (debet)
- overgankelijk vertellen, opdissen, ten beste geven
- [1] crediteren
1. als vordering boeken
- Het woord debiteren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "debiteren" herkend door:
| 88 % | van de Nederlanders; |
| 89 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -eren in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Boekhouding in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 88 %
- Prevalentie Vlaanderen 89 %