Naar inhoud springen

debiteren

Uit WikiWoordenboek
  • de·bi·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
debiteren
debiteerde
gedebiteerd
zwak -d volledig

debiteren

  1. overgankelijk (boekhouding) een bedrag als vordering (debet) boeken op een rekening; een rekening debiteren met een vordering (debet)
  2. overgankelijk vertellen, opdissen, ten beste geven
88 %van de Nederlanders;
89 %van de Vlamingen.[4]