Naar inhoud springen

crediteren

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cre·di·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
crediteren
crediteerde
gecrediteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

crediteren

  1. (boekhouding) op iemands rekening als tegoed (credit) bijschrijven
  2. (boekhouding) op de creditzijde boeken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be