cour
Uiterlijk

- cour
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | cour | cours |
| verkleinwoord |
- (juridisch) gerechtshof, hof [2]
- (wonen) binnenplaats, hof [7]
- Het woord cour staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "cour" herkend door:
| 42 % | van de Nederlanders; |
| 41 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ cour op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| cour | la cour | cours | les cours |
cour v
- (wonen) binnenplaats, hof [7]
- (adel) hof [2], hofhouding
- (figuurlijk) kennissenkring
- (juridisch) gerechtshof, hof [1]
- (Belgisch Frans), (sanitair) toilet [1], wc
- [2] faire la cour à quelqu'uniemand het hof maken, iemand versieren
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Juridisch in het Nederlands
- Wonen in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 42 %
- Prevalentie Vlaanderen 41 %
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 4
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Wonen in het Frans
- Adel in het Frans
- Figuurlijk in het Frans
- Juridisch in het Frans
- Sanitair in het Frans