conciërge

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ci·er·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘huisbewaarder’ voor het eerst aangetroffen in 1569 [1]
  • van het Franse 'concierge' (met het voorvoegsel con-)
enkelvoud meervoud
naamwoord conciërge conciërges
verkleinwoord conciërgetje conciërgetjes

Zelfstandig naamwoord

conciërge v/m

  1. (beroep) een huisbewaarder, een toezichthouder in een gebouw
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen