charcuterie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

charcuterie
Uitspraak
Woordafbreking
  • char·cu·te·rie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord charcuterie charcuterieën
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

charcuterie v

  1. (voeding) fijne vleeswaren
    • Maar alles valt in het niet bij de charcuterie. Daarin toont Schellekens zich waarlijk heer en meester. En dat is een vak apart. Hammen en droge worsten van jonge en oude geiten zo perfect vettig en mals te houden, getuigt van vakmanschap. Ongelooflijk indrukwekkend is de gepekelde, op hooi gerijpte varkensfilet: flinterdun gesneden, fluwelen (eigenlijk rauw) varkensvlees met een vleugje hooi, werkelijk kunstig.[1] 
Hyponiemen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Joël Broekaert NRC 18 juni 2016
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be