buitengemeen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·ge·meen
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen buitengemeen buitengemener buitengemeenst
verbogen buitengemene buitengemenere buitengemeenste
partitief buitengemeens buitengemeners -

Bijvoeglijk naamwoord

buitengemeen [1]

  1. boven het normale uitstijgend
    • Dall’Oglio, die in Syrië een kloosterorde leidde waar ook moslims zich thuis voelden, maar die in 2013 door IS ontvoerd werd. Juist hij. In het hart van het boek is een omvangrijk hoofdstuk gewijd aan pater Paolo en zijn klooster waaruit de buitengemene bewondering spreekt die de schrijver voelt voor de specifiek christelijke liefde die niet alleen de naasten, maar ook andersgezinden omvat. Dat wordt volgens hem bedoeld met je vijanden liefhebben - „wat niet hetzelfde is als de liefde van het schaap voor zijn slachter”.[2] 
  2. te veel
    • Ze zien er adembenemend uit, met de meest fantastische kleurencombinaties. Maar vergis je niet. Bidsprinkhaankreeftjes kunnen ook buitengemeen agressief zijn. Vooral de soorten met de keiharde en razendsnelle hamerklauwen. Aquariumliefhebbers waarschuwen er op internet voor. Pas op voor deze slopers. Voordat je het weet hebben ze je aquariumglas kapotgeslagen.[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Marjoleine de Vos 23 december 2016
  3. NRC Marcel aan de Brugh 3 februari 2014