extreem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·treem
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uiterst’ voor het eerst aangetroffen in 1544 [1]
  • [2]


enkelvoud meervoud
naamwoord extreem extremen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

extreem o

  1. het uiterste
     Tatertot was een prachtige vrouw van in de dertig die bij de start van haar PCT haar hoofd tegen de hitte had kaalgeschoren. Ze hield van extremen, een avontuurlijke levensgenieter die altijd leven in de brouwerij bracht.[3]
  2. (wiskunde) de hoogste of laagste waarde die een functie kan bereiken


stellend vergrotend overtreffend
onverbogen extreem extremer extreemst
verbogen extreme extremere extreemste
partitief extreems extremers -

Bijvoeglijk naamwoord

extreem

  1. uiterst, uitzonderlijk
    • Dit is het extreemste geval dat ik ooit gezien heb. 
    • De maan heeft geen atmosfeer, dus je ervaart een voortdurend bombardement van micro-meteorieten en de temperatuurverschillen zijn extreem. [4] 
     Deze extreme hitte vormde een reëel gevaar. Twee jaar eerder was er op dit stuk trail nog een 19-jarige jongen overleden aan de gevolgen van een zonnesteek.[3]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
extreem extremer het extreemst


Bijwoord

extreem

  1. op uitzonderlijk wijze
    • Vannacht is er extreem zware vorst te verwachten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen