tomeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • to·me·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van toom met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tomeloos tomelozer tomeloost
verbogen tomeloze tomelozere tomelooste
partitief tomeloos tomelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

tomeloos

  1. onstuimig
    • Met tomeloze energie pakte hij de problemen voortvarend aan. 
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be