bof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bof
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bof boffen
verkleinwoord bofje bofjes

Zelfstandig naamwoord

bof m

  1. geluk, mazzel
    • "Wat een bof jou hier nog te treffen. 
  2. (medisch) infectieziekte waarbij men een dik hoofd krijgt
    • Zij hebben allebei de bof gehad. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Werkwoord

vervoeging van
boffen

bof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
    • Ik bof. 
  2. gebiedende wijs van boffen
    • Bof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
    • Bof je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl