wanbof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wan·bof
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wanbof wanboffen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

wanbof m

  1. ongelukje, pech, tegenslag, tegenvaller
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wanboffen

wanbof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanboffen
    • Ik wanbof. 
  2. gebiedende wijs van wanboffen
    • Wanbof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanboffen
    • Wanbof je? 

Gangbaarheid

7 % van de Nederlanders;
6 % van de Vlamingen.

Verwijzingen