boffer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bof·fer
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van boffen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord boffer boffers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boffer m

  1. iemand wie alles meezit, een bofkont
  2. een toevallig gelukje, een bof
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be