boe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

boe!

  1. uitroep om iemand aan het schrikken te maken
    • Eén keer hadden we de moed bij hem naar binnen te gluren. Hij deed het gordijn opzij, lachte en riep: Boe! Vanaf die dag wisten we het zeker: als je niet uitkeek, at hij je op. [6]
  2. uitroep waarmee men zijn afkeuring uit
    • ‘Let u allen goed op, het is een leerzaam stuk.’ ‘Boe! Boe!’ klonk het uit het publiek. ‘Wij willen niet leren, wij willen lachen!’ [7]
  3. loeidend geluid van een koe
    • Ik stapte af en zei: ‘Stomme koe, je bent een smeerlap.’ Hij spitste zijn oren draaide zijn kop, keek me aan en zei: ‘Boe!’ ‘Ja, je bent een stommeling.’ ‘Boe!’ [8]
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • boe roepen
[1] opzettelijk door een onverwachte kreet laten schrikken
[2] luidkeels afkeuring laten blijken
[3] loeien
  • geen boe of ba
[2] niets wat op een reactie lijkt
  • boe noch ba zeggen
[2] blijven zwijgen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord boe
verkleinwoord

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

boe v

  1. (verouderd) schuur, eenvoudig gebouwtje, vooral geschikt als bergplaats
    • De toegangsdeur der boe zit dus ter zijde en wel dicht bij het woninggedeelte. [9]
  2. (Nederlands-Indië) (informeel) aanspreekvorm voor oudere of zorgzame Indonesische vrouw als lid van de huishouding
    • In 1917 werd een variant van Hoogeveens leesplankje voor Nederlands-Indië uitgegeven. Hierop verscheen (weer van Jetses' hand, maar nu in een meer tropische sfeer) onder meer een ‘oom’ met tropenpak en -hoed, een huis met een grote veranda en een lieve Indonesische ‘boe’ (baboe). [10]
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen