boo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
boo boos

Zelfstandig naamwoord

boo

  1. gewoonlijk meervoud boe, boegeroep

Tussenwerpsel

boo!

  1. boe; roep die afkeuring uitdrukt


vervoeging
onbepaalde wijs to  boo 
he/she/it  boos 
verleden tijd  booed 
voltooid
deelwoord
 booed 
onvoltooid
deelwoord
 booing 
gebiedende wijs  boo 

Werkwoord

boo

  1. uitjouwen
    «The crowd booed and whistled loudly after that decision by the umpire.»
    De menigte jouwde en floot hard na die beslissing door de scheidsrechter.