beugel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Beugelzaag (1)
beugeldop (2)
Beugel (3)
beugel [4]
beugel van een botsauto [5]
Uitspraak
Woordafbreking
  • beu·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het sterke werkwoord buigen met het achtervoegsel -el [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord beugel beugels
verkleinwoord beugeltje beugeltjes

Zelfstandig naamwoord

beugel m [2]

  1. (techniek) U-vormige metalen voorwerp (dan half-open) maar ook (metalen) ring
    • de loodgieter bevestigde de leiding met een beugel op de muur 
  2. verende en scharnierende ring tot sluiting van een fles
  3. (medisch) hulpmiddel waarmee de stand van het gebit kan worden gecorrigeerd
  4. (medisch) een uitwendig gedragen hulpmiddel ter correctie van standsafwijkingen of abnormale beweeglijkheid van gewrichten of van de wervelkolom
  5. (elektrotechniek) stroomafnemer gebruikt door een trolleyvoertuig, pantograaf
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Niet door de beugel kunnen
iets is verkeerd om te doen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beugelen

beugel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beugelen
    • Ik beugel. 
  2. gebiedende wijs van beugelen
    • Beugel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beugelen
    • Beugel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal