korten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
korten
kortte
gekort
zwak -t volledig

Werkwoord

korten

  1. overgankelijk in geldbedrag verlagen
    • De uitkering werd flink gekort toen duidelijk werd dat de man wel voor een deel kon werken. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.