berekenend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·re·ke·nend

Werkwoord

vervoeging van
berekenen

berekenend

  1. onvoltooid deelwoord van berekenen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen berekenend berekenender berekenendst
verbogen berekenende berekenendere berekenendste
partitief berekenends berekenenders -

Bijvoeglijk naamwoord

berekenend

  1. zorgvuldig en goed nadenkend
    • Een kramp in zijn linker hamstring, iedere keer dat hij wilde versnellen, maakte dat Nageeye vanaf 32 kilometer ‘berekenend’ had moeten lopen. [1] 
  2. (pejoratief) alleen maar denkend aan het eigenbelang
    • Het Openbaar Ministerie rekent het hem zwaar aan dat hij na de overval kleding en schoenen wisselde en alsnog drugs ging kopen. „Dat komt berekenend over”, zei de aanklaagster. Ze eiste een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan tien voorwaardelijk en H. dient zich aan tal van voorwaarden te houden. [2] 
    • S. deed dat onder meer met een camera die hij op de wc tussen de toiletrollen had verstopt. De slachtoffertjes waren 4 tot 10 jaar oud. De man, die volgens deskundigen een pedofiele en urofiele stoornis heeft, liet de meisjes gehurkt op de toiletbril plassen terwijl hij intussen stiekem opnames maakte. De rechtbank noemde dat ‘berekenend’. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.


Verwijzingen