egoïstisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ego·is·tisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen egoïstisch egoïstischer
verbogen egoïstische egoïstischere
partitief egoïstisch egoïstischers -

Bijvoeglijk naamwoord

egoïstisch [1]

  1. (psychologie) zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
    • Het bedrijf van die egoïstische man is gisteren failliet gegaan. 
     Tijdens de eerste paar weken van mijn tocht bleef de vraag mij bezighouden of alleen op pad gaan egoïstisch was? Ja, mijn solotocht was in sommige opzichten zeker egoïstisch. Mijn vrouw moest tenslotte het gezin en onze B&B draaiende houden en alle onvoorziene problemen alleen oplossen.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be