beloven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lo·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘toezeggen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van loven met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beloven
beloofde
beloofd
zwak -d volledig

Werkwoord

beloven

  1. overgankelijk toezeggen dat iets gedaan zal worden
    • De man beloofde het meisje van alles, maar kwam geen van zijn beloftes na. 
  2. dat belooft wat: nu dit gebeurd is gaat er nog veel meer gebeuren
    • Het eerste weekend al 1000 bezoekers! Dat belooft wat! 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

veel beloven en weinig geven doet de gekken in vreugde leven [3]

Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen