beloven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lo·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beloven


beloofde


beloofd


zwak -d volledig

Werkwoord

beloven

  1. (overgankelijk) toezeggen dat iets gedaan zal worden
    De man beloofde het meisje van alles, maar kwam geen van zijn beloftes na.
  2. dat belooft wat: nu dit gebeurd is gaat er nog veel meer gebeuren
    Het eerste weekend al 1000 bezoekers! Dat belooft wat!
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

veel beloven en weinig geven doet de gekken in vreugde leven [2]

Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. www.nu.nl