cynisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cy·nisch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bitter’ voor het eerst aangetroffen in 1848 [1]
  • [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen cynisch cynischer cynischt
verbogen cynische cynischere cynischte

Bijvoeglijk naamwoord

cynisch

  1. (filosofie) volgens de opvattingen van de Griekse wijsgeer An­tis­the­nes
    • Maar niet ieder, die van de cynische levenshouding weet, is daarom zelf ook een cynicus. [3]
  2. blijk gevend van grote scepsis over idealen en goede bedoelingen
    • De cynische houding kan ook lichamelijk geuit worden: een cynische blik, een cynische lach of een cynische grimas. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen