beledigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·le·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘krenken’ voor het eerst aangetroffen in 1588 [1]
  • met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beledigen
beledigde
beledigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beledigen

  1. overgankelijk (nare) opmerkingen maken tegen of over een persoon die dat niet leuk vindt
    • Hij had zijn buurman beledigd, dus die ging boos naar huis. 
    • Iemand die snel op zijn teentjes getrapt is, voelt zich snel beledigd. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen