Naar inhoud springen

bediende

Uit WikiWoordenboek
bediende [2]
  • be·dien·de
enkelvoud meervoud
naamwoord bediende bedienden, bediendes
verkleinwoord

debediendev/m

  1. (beroep) iemand in een ondergeschikte betrekking
     'Otto is de bediende van mijn broer,' zegt Maren.[2]
  2. (beroep) huisknecht
    • Huishoudelijke apparatuur heeft de functie van bediende grotendeels overgenomen. 
     Ze was niet langer de bediende die het huis van vlekken ontdeed; ze zou een onuitwisbaar stempel drukken dat niemand nog zou vergeten.[3]
     Ze was niet langer de bediende die het huis van vlekken ontdeed; ze zou een onuitwisbaar stempel drukken dat niemand nog zou vergeten.[3]
  3. (beroep) officiële benaming voor alle werknemers die geen arbeider zijn, beambte, ambtenaar of employé b.v. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
    • De bediende was nergens te bekennen, dus moesten we lang wachten op ons drankje. 

bediende

  1. verbogen vorm van de stellende trap van bediend
vervoeging van
bedienen

bediende

  1. enkelvoud verleden tijd van bedienen
    • Ik bediende. 
    • Jij bediende. 
    • Hij, zij, het bediende. 
     In zijn rechterhand verscheen een denkbeeldige hengel, terwijl zijn linkerhand met snelle rondjes de molen bediende.[4]
  2. verbogen vorm van bediend, voltooid deelwoord van bedienen
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]