Naar inhoud springen

bedenkelijk

Uit WikiWoordenboek
  • be·den·ke·lijk

bedenkelijk

  1. op een wijze die van enig bedenk, van twijfel of van bezorgdheid blijk geeft
    • Hij schudde bedenkelijk met het hoofd. 
     Als ze wordt gevraagd of ze een leven voor het kunstenaarsbestaan heeft gehad begint ze hevig te knikken, al tuit ze daarbij ook bedenkelijk haar lippen, een ambivalente houding die ze de hele tijd heeft als ze praat.[1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen bedenkelijkbedenkelijkerbedenkelijkst
verbogen bedenkelijkebedenkelijkerebedenkelijkste
partitief bedenkelijksbedenkelijkers-

bedenkelijk

  1. wat bezorgdheid of afkeuring opwekt
    • De toestand is en blijft dus zeer bedenkelijk. 
  2. wat het gevolg is van afkeuring en zorgen
    • De chef keek zeer bedenkelijk naar de prestaties van zijn personeel. 
     ‘Hoe was je dag? ’Ze haalde haar schouders op. ‘Ging wel. Heel normaal, eigenlijk.’ Jeroen knikte bedenkelijk.[2]
     Hij had de bedenkelijke uitdrukking op haar gezicht goed op waarde geschat.[2]
  • De zaak is zeer bedenkelijk.
  • van bedenkelijk niveau
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]