bedenken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·den·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedenken
bedacht
bedacht
zwak -cht volledig

Werkwoord

bedenken

  1. overgankelijk gedachten laten gaan over, denken over, overwegen
    • Zij zaten te bedenken wat ze nu weer eens konden gaan doen. 
     Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.[1]
     Zo ver je kon kijken waren de bergen bedekt met sneeuw, fonkelend in de ochtendzon. En dan te bedenken dat het hoogzomer was. Het was net een sprookje.[2]
  2. overgankelijk door nadenken vinden, verzinnen
    • Die ingenieurs bedachten voor ons een oplossing. 
  1. overgankelijk iets schenken aan
    • Ik zal je wel in mijn testament bedenken. 
  2. wederkerend zich ~: op een besluit terugkomen, van gedachten veranderen
    • Hij bedacht zich snel, omdat hij dat klusje niet uit wilde voeren. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be

Duits

Werkwoord

bedenken

  1. bedenken