dubieus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·bi·eus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Latijnse woord dubiosus (van dubium ("twijfel")) + het Franse achtervoegsel -eus.[1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dubieus dubieuzer dubieust
verbogen dubieuze dubieuzere dubieuste
partitief dubieus dubieuzers -

Bijvoeglijk naamwoord

dubieus

  1. twijfelachtig
    • Een dubieus argument, een dubieuze stelling. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Etymologiebank.nl