albatros

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·ba·tros
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels of frans, in de betekenis van ‘stormvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1763 [1]
  • uit het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord albatros albatrossen
verkleinwoord albatrosje albatrosjes

Zelfstandig naamwoord

albatros m

  1. (vogels) een grote zeevogel met lange vleugels
    • Veel mensen vinden de albatros een mooie vogel. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen