afkijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkijken
keek af
afgekeken
klasse 1 volledig

Werkwoord

afkijken

  1. een idee leren, kopiëren, stelen van iemand
    • De stoelopstelling van deze auto is afgekeken van de luchtvaart. 
    • Een medewerker van de benzinepomp bleek bankpasjes te kopiëren, de pincodes werden afgekeken door een handlanger. 
  2. tot het einde toe bekijken
    • Vanuit zijn raam kun je de hele straat afkijken. 
    • Ik heb het tv-programma wel opgenomen maar nog niet afgekeken. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de kunst afkijken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie