abandon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aban·don
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord abandon -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

abandon o

  1. gedraging die duidelijk maakt dat iemand niet langer aanspraak op iets maakt
    • Alleen een malariavlieg kan hem uit de kop van de wedstrijd houden. Fysiek en mentaal is hij niet te kraken, zonder pech geen abandon. [3]
    • Sedertdien: opleving van onze bedrijvigheid in het door ons bezette gedeelte, vooral Oostkust van Sumatra, maar overigens ellende en in de laatste maanden toenemende onveiligheid op de ondernemingen in ons gebied op Java, die reeds hier en daar tot abandon heeft geleid. [4]
Synoniemen

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Naar frequentie 2107
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van de Latijnse frase ad bandon.
vervoeging
onbepaalde wijs to abandon
he/she/it abandons
verleden tijd abandoned
voltooid
deelwoord
abandoned
onvoltooid
deelwoord
abandoning
gebiedende wijs abandon

Werkwoord

abandon

  1. verlaten, in de steek laten
  2. opgeven
Afgeleide begrippen