afwisseling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wis·se·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afwisseling afwisselingen
verkleinwoord afwisselinkje afwisselinkjes

Zelfstandig naamwoord

afwisseling v

  1. variatie.
    • Je moet voor wat meer afwisseling in je leven zorgen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.